Zes elegische gedichten – 3

Zes elegische gedichten – 3
gekozen door Vincent Hunink

Ik stel mij voor dat in een later eeuw
een man die voor een dissertatie
of enkel uit nieuwsgierigheid
vergeten dichters uit vergeten tijd opzoekt
dit vers zal vinden. Eén moment zal dan
als uit de tombe van een farao
voor hem een goddelijke geur opslaan,
én huivering van doodsangst om de bron
waaruit wij allen drinken.

Ik teken hem het laatste beeld: een jongen
die met een strak gezicht de nacht inloopt,
een man, die hunkerend de andere weg gaat
en helaas niet meer omkijkt –
de regen stroomt er over, eerste voorjaarsregen,
een merel wekt met zoet gefluit
meer verdriet in dit zinloos afscheid.

Mogelijk leven wij niet eens voor nu
maar leven wij voor vroeger, later.
Gegroet dan lezer, Taieb en Hans zwerven
eindeloos voort in de verkeerde richting,
mogelijk dat gij hen een dag herkent.

Hans Warren, Verzamelde Gedichten. Amsterdam: Bert Bakker, 2002.

Dinsdag Desmet

Het eerste gedicht van de maand van 2003 is gekozen door Vincent Hunink. Hij koos voor het derde gedicht van de Zes elegische gedichten uit de bundel Tussen hybris en vergaan. Deze cyclus droeg Hans Warren op aan Taieb Ghaieb.Hunink schreef een recensie van Geheim Dagboek 2001, die eind van de maand in het tijdschrift Pink verschijnt. Vanaf morgen is de recensie al op onze site te lezen!

Strookje papier

Strookje papier
gekozen door Ria Zifkamp

In een lege ruimte wanhopig gezocht
naar een reepje papier, een pen
om dit op te schrijven. Waarom?
Omdat ik niet zingen kan als een vogel,
huilen als een hond.

Hans Warren, Verzamelde Gedichten. Amsterdam: Bert Bakker, 2002.

De zwartkoptuinfluiter

De zwartkoptuinfluiter
gekozen door Niek Oele

Eigenlijk al van mijn kindertijd af
denk ik al aan mijn uitvaart.
Ik zou willen dat iedereen dan
gelukkig was, dat vreemde geluk
om iets wat te mooi is, wat pijn doet.
Ik heb mij daarbij muziek voorgesteld,
een klagende hobo van Albinoni,
of dat ik op een bandje voor jullie
een stoïsch, dankbaar gedicht voorlas;
maar eigenlijk hoop ik dat het mei zal zijn
onder hoge beuken, en heel stil,
en dat dan opeens twee zwartkopjes gaan zingen
tegen elkaar in. Laat dan niemand spreken,
want iets mooiers, iets ontroerenders
bestaat er niet op aarde.

Hans Warren, Verzamelde Gedichten. Amsterdam: Bert Bakker, 2002.

Alweer geknield

Alweer geknield

Nu de storm is geluwd
de ravage in het serene licht:
wat ben je tenger, vaal. Je voeten
en oksels rieken – een vogeljong
tijdig uit het nest geregend.

Ik stook het vuur hoog, rooster vlees en brood,
en warm de wijn. Je holle wangen krijgen
wat gloed, je ogen worden
groter, zwarter, en je borst
begint begeerlijk te welven
in het openhangend linnen hemd.

Alweer geknield bied ik mijn prins
hetgeen ik heb, hetgeen ik maak.
Hij keurt verwend
en looft verstrooid mijn zorg,
kijkt langs mijn liefde en mijn haat.
Hij geeft een zoen en nog een zoen,
een echte lieve trekkebek, en rekt
bevrijd eer hij opnieuw
op avontuur uitgaat.

Hans Warren, Verzamelde Gedichten. Amsterdam: Bert Bakker, 2002.