Tijdens Scheltema’s Schrijversestafette op zaterdag 22 maart zal biograaf Mario Molegraaf ook aanwezig zijn om Opperhuidmens te signeren. De estafette begint om 13:00, Mario is vanaf 15.30 tot 16.00 uur aanwezig.
Ter gelegenheid van het verschijnen van de biografie: twee essays en drie gedichten over Warren, speciaal geschreven voor Vrijplaats op Gay News. Lezen!
Het is, weten we inmiddels, altijd opletten bij de opmerking ‘Hans Warren meldt in zijn dagboek’. Maar in zijn dagboek, de gedrukte editie én de oorspronkelijke versie, meldt Hans Warren op 13 april 1947 in een boekwinkel een bloemlezing te hebben ingekeken, Levende dichters: ‘Jawel, Warren, Hans, pagina zoveel. Het liet me koud, ik heb het boek niet gekocht’. Maar toch niet zo koud dat hij erover zweeg. Hij staat er inderdaad in, in Levende dichters, samengesteld door W.J. van der Molen, in 1946 verschenen bij uitgeverij West-Friesland, volgens mij verder niet actief op literair gebied. Levende dichters: de dichters dienden in leven te zijn. Wat niet altijd het geval was: zo is er een gedicht opgenomen van Augusta Peaux, terwijl zij in 1944 was overleden. Oók in april 1947 stond in het ‘maandblad voor letterkunde’ Ad Interim (het nummer waarin Hans Warren debuteerde als prozaschrijver met ‘De bron in het park Alverà’) een boos stuk van Barend de Goede over de bloemlezing, voor de gelegenheid ondertekend met Mr. Barend de Goede, hij maakte er namelijk een juridische kwestie van. ‘Inbreuk op auteursrechten’ noemde hij het artikel: er was geen toestemming gevraagd en geen honorarium betaald, niet eens aan Mr. Barend de Goede (met één gedicht aanwezig). ‘Dat als criterium voor de opneming in de bloemlezing de voorwaarde geldt dat de dichter leve, is voorts driewerf ridicuul,’ tiert De Goede verder. Geen toestemming, geen geld, geen bewijsexemplaar, maar Hans Warren stond erin. Voor het eerst in een bloemlezing. Niemand, ook hijzelf niet, kan me wijs maken dat hem dit koud liet. Hij sloeg het boek op en stuitte op ‘Landelijke Herfst’, pal naast ‘Het oude park’ van zijn goede vriend Jan Vermeulen. Het schokje van pagina 173.
A.F.Th. van der Heijden is zo’n beetje de dorpsgek van de Nederlandse literatuur geworden. De man schrijft nijver verder, maar moet zijn werk in eigen beheer laten drukken. Eind 2008 publiceerde hij een boekje De censuurpaus, bij helemaal niemand opgevallen, met onder meer een onverschrokken uithaal naar de zeven jaar eerder overleden ‘zwetser Hans Warren’. De woede was ingegeven door afwijzende recensies, zoals zo vaak. Zo vaak dat ik me in Opperhuidmens tot enkele overduidelijke voorbeelden moest beperken. Het voorbeeld Gerrit Komrij uiteraard, zo’n belangrijke figuur in Hans Warrens leven. En het voorbeeld Adriaan Venema, diens aanval haalde nu eenmaal alle kranten. Ik ga in het boek ook kort in op het voorbeeld Hubert Lampo, omdat het geen toelichting vergt en toch alles zegt over de relatie recensent-gerecenseerde. Eenvoudig: afbrekende besprekingen én de gebelgde reactie daarop. Er werden veel meer schrijvers boos op Hans Warren, maar die kwesties lagen een stuk ingewikkelder en zouden uitbundige uitleg vereisen. Neem hoe Maarten ’t Hart in 1981 terugsloeg met een brief met dertien postzegels om Hans Warren heel veel narigheid toe te wensen. Mooi, maar de twee auteurs oordeelden meestal vrij gunstig over elkaar, en drie jaar later kon je ze op televisie gemoedelijk met elkaar zien keuvelen. Zou veel te veel bladzijden biografie in beslag nemen. Net als de doodswens, ook uit 1981, door de posterijen van een verhullende envelop voorzien, een anonieme productie van Heere Heeresma. Die toch weer een vriendelijke toon aansloeg. En dan het geval A.F.Th., begonnen na zijn hoffelijke brief uit 1995 over de bloemlezing homo-erotische verhalen Herenliefde en geculmineerd in het stukje uit De censuurpaus. Hij roddelt over wie weet door Mario Molegraaf onder Hans Warrens naam geschreven recensies. Bewijs: ‘Twee naaste kennissen van het echtpaar Warren-Molegraaf heb ik er […] frank en vrij over horen praten’. Geruchten van een decennium vóór De censuurpaus, toen Hans Warren dus nog leefde, wilden al dat A.F.Th. achter de geruchten zat. In de verwijzingen in Opperhuidmens naar ‘boze tongen’ (p.575) en ‘het dreigende uitlekken van de kronieken’ (p.577) zit hij dus verstopt. Precies de aandacht die een dorpsidioot toekomt. Per ongeluk zat hij op het juiste spoor: kinderen en gekken zeggen de waarheid.