Categoriearchief: Uit de nalatenschap

Momenteel werkt Mario Molegraaf aan de biografie van Hans Warren. Op zijn ontdekkingstocht door het leven van Warren stuit hij regelmatig op interessante vondsten. Op de eerste dag van elke maand deelt hij zo’n vondst met de bezoekers van onze website.

Uit de nalatenschap van Hans Warren 112 ~ Jan Rot

Heel Nederland leefde mee met de dood van Jan Rot (Makassar 25 december 1957 – Rotterdam 22 april 2022). Jan Rot leefde mee met mij toen Hans Warren stierf. Het alleraardigste bericht in die dagen kwam van hem. Een briefje met de aanhef ‘Arme vent’, de afsluiting ‘Arm om je schouder’ en een CD erbij. Het was geen rotte dag toen hij in ons bestaan verscheen, 11 november 1994, bij een radioprogramma. Hij zong daar de liedjes die hij had gemaakt van Hans Warrens gedicht ‘Natuurlijk’ en het door ons vertaalde gedicht ‘De spiegel in het portaal’ van Kavafis. ‘Het is een geschikte vent,’ noteerde Hans in zijn dagboek. Bijna een jaar later stuurde Jan Rot een ironische brief: hij wilde met een televisieploeg naar Zeeland komen voor een programma ‘Lieve Jongens Allemaal’. Zo gebeurde het ook, en na het bekijken van de uitzending oordeelde de dagboekschrijver mild: ‘het bleek dat we in onze waarde waren gelaten’. Op 1 juni 1996 verscheen Jan Rot weer, deze keer in het dagboek aangemerkt als ‘een bijzonder geschikte kerel’. De reden voor zijn komst was een vraaggesprek over onze Plato-vertaling, pas begin 1998 stond het stuk in de Nieuwe Revu. Vanuit het Pijkeswegje kwam er iets terug, een bespreking van het boek Rot is liefde in de Provinciale Zeeuwse Courant. Waarop hij in een brief van 28 april 1998 reageerde. Het ‘liefdescadeau’ waarop hij in dat bericht hoopte, kwam alsnog, zij het in onvoorziene vorm. En ook het grote succes kwam alsnog voor hem, op al even onverwachte wijze. Rots arm om mijn schouder en heel de rest zal ik nooit vergeten.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 111 ~ Giovanni Nurchi (bibliofiele uitgave Avalon Pers)

Hij overleed op een vrijdag de dertiende, uiteraard op een vrijdag de dertiende. Het leven van de ongeluksvogel eindigde op 13 september 2013 te Nice. ‘Una mattina di maggio del 1946, venni al mondo. Io: Nurchi Giovanni,’ had hij over zijn geboorte op Sardinië geschreven in de autobiografie Sepolcri Imbiancati. Dat betekent ‘gewitte graven’, naar een woord van Jezus: ‘Wee jullie, huichelaars van schriftgeleerden en Farizeeën! Want jullie lijken op gewitte graven, die aan de buitenkant wel mooi overkomen, maar aan de binnenkant vol doodsbeenderen en allerlei viezigheid zijn.’ Het aangrijpende werk is nooit gepubliceerd, maar het typoscript bleef bewaard in het archief van Hans Warren. Van hun liefde was al snel niets meer over. In 1972, na de kennismaking, schreef Hans hartstochtelijke gedichten voor Gianni, misschien wel zijn beste gedichten. In 1992 zou hij, bekent hij op 10 maart in zijn dagboek, opgelucht zou zijn als Gianni dood was. Kort voordien was er post van hem gekomen, een op 17 januari 1992 te Braine-l’Alleud (Eigenbrakel, Waals-Brabant) geschreven brief vol beloften voor het geval ene Mario niet meer in Hans’ leven mocht zijn. Hans Warren stelde een door mij te versturen brief op die aan iedere toenadering een einde moest maken. Giovanni Nurchi, een bestaan waarin meer werd gebroken dan gebouwd. Maar Sepolcri Imbiancati en andere geschriften van hem zijn niet verloren gegaan. Wie weet meldt zich op een dag alsnog een uitgever. Hans Warren heeft twee keer vertalingen van Giovanni Nurchi in het literaire tijdschrift Maatstaf gepubliceerd. Het plan was geweest in de dichtbundel Herakles op de tweesprong een afdeling ‘Herkenningen’ op te nemen, met daarin vijf gedichten van Giovanni Nurchi. Dat is er niet van gekomen, en toen Hans Warren later zijn bundeltje met vertaalde gedichten Herkenningen uitbracht, ontbrak ieder spoor van zijn vroegere geliefde. Terwijl hij in diens bewogen gedichten wel degelijk veel heeft herkend, deze exotische poëzie heeft zelfs onmiskenbaar invloed gehad op zijn eigen werk. Daarom ben ik erg blij met Ik wacht je in mijn tombe, het prachtige bibliofiele boekje dat de Avalon Pers onlangs heeft uitgebracht, een klein eerbetoon aan Giovanni Nurchi.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 110 ~ Pjotr Hendrix

Het boekje stond, een beetje verweesd, op Marktplaats. Een duidelijk gelezen exemplaar van Tussen hybris en vergaan. We weten precies wie de aandachtige lezer was. Hans Warren heeft zijn bundel namelijk in november 1969 van een opdracht voorzien aan Pjotr Hendrix en diens vrouw. Het geschenk viel in de smaak, er komt een lange brief uit Dordrecht. In 1973 geeft Hans Warren zijn bundel De Olympos aan Hendrix, de verblijfplaats van dit boekje is onbekend. Weer gaat er een enthousiaste brief naar ‘goede vriend Hans’. Die zou een ‘echte Griek’ zijn, ‘een klassieke Griek uit de gouden aera van het antieke Griekendom’. Op 28 april 1973 verwijst Hans Warren opgetogen naar de brief in Geheim dagboek. Waarin we Pjotr Hendrix een tijdlang regelmatig tegenkomen. Wat de man uit Dordrecht en de man uit Kloetinge vooral verbond, waren de ikonen. Hendrix was een russofiel, vandaar dat hij zijn voornaam veranderde en vandaar dat hij de brief over Tussen hybris en vergaan met een Nederlandse postzegel maar in een Russische envelop verstuurde. Pjotr Hendrix (1896-1979), een Brabander uit een eenvoudig katholiek gezin, studeerde klassieke talen en Nieuwgrieks. Beslissend in zijn bestaan was een verblijf in de monnikenrepubliek Athos. Later reisde hij vaak naar het communistische Rusland op zoek naar de ware orthodoxie. In 1957 werd hij benoemd tot hoogleraar Grieks in Leiden. Maar in zijn publicaties over het geloof bespeur je meer troebele mystiek dan heldere wetenschap. Bij de poëzie uit Tussen hybris en vergaan, zo zegt Hendrix in zijn brief, voelt hij hetzelfde als wanneer hij ronddoolt tussen de ikonen: ‘het laat zich niet zeggen, het laat zich alleen maar aanduiden’. Niet alleen door dit ene exemplaar van de dichtbundel waart de geest van de bevlogen Dordtenaar.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 109 ~ Avifauna

Natuurlijk heeft iedere Warren-fan het boekje al in huis, Hans Warren: tekenaar, bewonderaar, vogelaar van Chiel Jacobusse, groot kenner van de Zeeuwse natuur. Hij heeft het over de vogeltekeningen maar ook over de Avifauna van Zuid-Beveland. Jacobusse gaat nauwelijks in op de voorgeschiedenis en de nageschiedenis van dit overzicht, een van de moeilijkst te vinden publicaties van Hans Warren. De Avifauna verscheen in 1948 in het wetenschappelijke tijdschrift Ardea van de Nederlandse Ornithologische Unie met de namen D.A. Vleugel, J.A.M. Warren en G.F. Wilmink erboven. Net als Warren, J.A.M. werkten Vleugel, D.A. en Wilmink, G.F. regelmatig mee aan natuurtijdschriften, zo verscheen van Vleugel en Wilmink sámen in een nummer van De Levende Natuur uit 1953 een stuk ‘Steltkluteninvasies met broedgevallen in ons land’. Nageschiedenis? Jazeker, er bleef een exemplaar van de Avifauna bewaard waarin Hans Warren allerlei latere vogelwaarnemingen heeft verwerkt. Bijvoorbeeld van zes wespendieven die op 1 september 1958 zijn huis passeerden, een van de vogels streek zelfs neer in de boomgaard van de buren. Ze vlogen ook even zijn Geheim dagboek binnen. De voorgeschiedenis: er bestaat een lijvig cahier waarin we Hans Warren aan de Avifauna zien werken. Het cahier is door andere handen gegaan: iemand heeft er dingen bijgeschreven. Maar uit het manuscript kun je opmaken dat de Avifauna voor het grootste deel het werk van J.A.M. Warren is, en de andere namen er vooral voor de vorm boven staan. Zoiets blijkt ook uit Geheim dagboek. Op 24 augustus 1942 schrijft hij over een afspraak met Vleugel en Wilmink die geen ontmoeting wil worden. Hij sluit af met de mededeling: ‘Had ik hen ontmoet, ik zou wellicht gezegd hebben dat ik de Avifauna van Zuid-Beveland wel alléen zou schrijven; het leeuwedeel komt toch voor mijn rekening’. Op 13 februari 1947 noteert hij dat Fred Wilmink ‘zijn aandeel’ is komen brengen. Op 2 april van dat jaar meldt Hans Warren de ‘laatste hand’ te hebben gelegd aan het overzicht. ‘Een nutteloos en doodvervelend werk,’ had hij op 19 maart 1943 bekend. Chiel Jacobusse zorgt voor eerherstel van de Avifauna. ‘Het was in feite de eerste Zeeuwse regionale avifauna’ volgens hem, en het geheel biedt ‘een fantastische mogelijkheid om te zien wat er zoal veranderd is en om de veranderingen te duiden’.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 108 ~ Christine Kraft

Zij wel! Op 17 december 1976 overhandigt Hans Warren een luxueus exemplaar van zijn Demetrios aan Christine Kraft. Nummer 9 om precies te zijn en hij schrijft er de opdracht in: ‘Voor Christine Kraft, met veel waardering en in vriendschap’. Vriendschap? Het was de eerste keer dat de 55-jarige Hans Warren en de 27-jarige Christine Kraft, nét gedebuteerd met De dagen met gezichten, elkaar zagen, op het feest dat uitgever Bert Bakker wegens het verschijnen van Demetrios had georganiseerd. In de PZC van 5 augustus 1972 had hij haar naam voor het eerst genoemd. In een stuk ‘Kleine boekjes uit Kortgene’ – ‘erg verminkt en bekort’ in de krant beland – had hij het over ‘heel mooie meisjes als Christine Kraft’. In zijn dagboekaantekening over het Demetrios-feest lezen we: ‘Zij is tamelijk mooi, kwam als een mannequin de trap op, chique gekleed’. In de PZC van 4 december 1976 had hij een lang stuk geschreven over haar korte boek De dagen met gezichten, ook verschenen bij Bert Bakker. Het was een ‘uitstekend debuut’ naar zijn zeggen, en niet alleen naar zijn zeggen. Christine Kraft werd even een naam in de literatuur. De luxe versie van Demetrios was in Franse stijl ‘onafgesneden’, maar zij heeft zichtbaar zorgvuldig het mes gehanteerd. In een aardige brief aan Hans Warren van 16 februari 1977 ‘recenseert’ ze Demetrios: ‘Ik vond het buitengewoon verfijnd; uiteraard in de passages waar je dat bewust wilt tonen, maar ook in de meer “aardse” of zelfs brute passages (hetzij in gewelddadige, hetzij in erotische zin) blijf je voortdurend met een zeer beheerste pen schrijven. In een stijl die me eveneens erg aanspreekt: eindelijk eens iemand die niet de hele tijd cynisch of laatdunkend denkt te moeten doen, maar oprecht, wézenlijk poëtisch (whatever that may be).’ De ster van Christine Kraft doofde betrekkelijk snel. Geen recensent keek nog naar haar boeken om, en in 1995 besloot ze te stoppen met schrijven. Begin 2020 stond een advertentie in de krant: ‘Helemaal zoals ze zich voornam, is thuis in alle rust overleden Christine Kraft, schrijfster, dierenbeschermster’. Haar exemplaar van Demetrios, onlangs opgedoken, getuigt van betere tijden en vooral van een korte maar waarachtige letterkundige vriendschap.

MARIO MOLEGRAAF