Categoriearchief: Uit de nalatenschap

Momenteel werkt Mario Molegraaf aan de biografie van Hans Warren. Op zijn ontdekkingstocht door het leven van Warren stuit hij regelmatig op interessante vondsten. Op de eerste dag van elke maand deelt hij zo’n vondst met de bezoekers van onze website.

Uit de nalatenschap van Hans Warren 117 ~ Indigo

Hans Warren keek niet met plezier naar het boekje. Ik merk ook iets te moeten overwinnen als het Indigo betreft. Terwijl hij aanvankelijk zo tevreden was over de novelle. Op 16 september 1992 noteerde hij: ‘Ik ben er nogal opgewonden over, vind het vrij geslaagd, popel om het aan M. te laten lezen, maar dat mag toch pas als ’t echt àf is.’ Hij zei ook: ‘Het blijft een maakwerk, maar ik heb er toch wel een en ander van mezelf in gestopt.’ Ik (ofwel M.) was enthousiast volgens de dagboekschrijver: ‘Ik heb het M. laten lezen en hij vindt het voortreffelijk. Daarover zit ik nu zo’n beetje innerlijk te juichen’. De 71-jarige schrijver Hans had zich voor het verhaal over de 71-jarige schrijfster Laura op uiteenlopende bronnen gebaseerd. De gevorderde Warren-lezer zal in het begin van de novelle (op de foto het manuscript daarvan) het fictieve reisverhaal Op de Solex door Algerië herkennen en aan het einde ervan de realistische reisnotities uit eind 1983 over Egypte. Maar grote invloed op Indigo hadden ook (de afgebeelde) artikelen die hij in 1990 uit de niet al te verheven krant France-Soir had geknipt. Het uiterlijk van Laura lijkt terug te gaan op een portret van een flamboyante oudere vrouw, dat hij uit het blad Allerhande knipte. Maar het genoegen in het boekje werd bedorven door Peter Brinkers, tussen 1980 en 2004 verantwoordelijk voor de boekenafdeling bij De Bijenkorf. In het kader van ‘De Literaire Boekenmaand’ vroeg Brinkers onder anderen Adriaan van Dis en Harry Mulisch een speciale uitgave te verzorgen. In mei 1992 benaderde hij Hans Warren om ‘een soortgelijk boekje’ te schrijven. Maar in maart 1993 verscheen bij De Bijenkorf in plaats van Indigo door Hans Warren het even eerder ontdekte Dagboek van een gymnasiast door Godfried Bomans. Heeft de Bomans-vondst het Warren-boekje verdrongen? Of werd Dagboek van een gymnasiast van de reservebank gehaald? Als je de documenten doorneemt, ga je de eerste optie vermoeden. Brinkers, die Indigo in eerste instantie had aanvaard en daarop later terugkwam, haalt uiteindelijk bakzeil: de overeengekomen vijftienduizend gulden werd betaald en Hans Warren ging toch signeren in de filialen van De Bijenkorf. En Indigo werd gewoon gepubliceerd, niet met de aanduiding ‘De Bijenkorf’ maar met de aanduiding ‘Uitgeverij Bert Bakker’. Een overwinning voor de auteur, maar met zo’n bittere bijsmaak dat hij een hekel kreeg aan zijn eigen boek. Lees het, zoals ik heb gedaan, en je ontdekt wel degelijk een alleraardigst Hans Warrenverhaal.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 116 ~ eerste brief

De doos staat op de bovenste plank in de kelder van de Zeeuwse Bibliotheek. De doos met de brieven van Hans Warren en mij. De doos waarin ik lang niet heb durven kijken. Ik herinner me beschroomd en beschaamd mijn zeventienjarige zelf. Maar nu kan ik er niet meer onderuit. Gêne genoeg, onder meer vanwege handschrift en handtekening van mijn eerste brief aan hem, gedateerd 3 februari 1978. In de envelop zit ook nog een gedicht dat ik liefst zou laten opgaan in het grote niets, een gedicht opgedragen aan Hans Warren en nagedaan van Hans Warren. Mario die voor Super Mario wil doorgaan en eigenlijk een Mini Mario is, of zoiets. Er kwam al snel een vriendelijk antwoord waarin we Giovanni Nurchi zien opduiken. ‘Het is wel een wonderlijke speling van het lot dat de dichter van deze regels terwijl ik je dit briefje tik mijn morning-koffie brengt! Hij is een Sard, en enige tijd hier,’ typte Hans Warren. Het begin van veel meer brieven tussen Pijkeswegje en Van Berckenrodelaan. Ik lees ze met schaamrood en toch ook vertedering. In mijn brieven vertel ik meer, steeds meer over mijzelf. Hans Warren biedt raad en troost. Onmiskenbaar hebben we beiden bijbedoelingen. Op een correspondentiekaart van 9 mei 1978 zegt Hans: ‘Schrijf gerust, stort je hart uit, kom zelfs gerust (…) Alleen (of is het een grapje in je gedicht?) je bent toch niet àl te mooi – je kent mijn werk toch, dus ook… mij?’

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 115 ~ Hella Haasse

‘Aucun résultat’ reageert de computer wanneer ik op de site van Saint-Witz naar ‘Haasse’ zoek. ‘Le charme de la campagne avec vue sur Paris,’ is de leus van de gemeente, op zo’n 35 kilometer van de Notre Dame gelegen. Wonen op het platteland en Parijs binnen bereik, daarom gingen Hella Haasse en haar man in Saint-Witz wonen. Hans Warren en ik spraken over Lièvreville (lièvre is Frans voor haas) als we vanaf de snelweg van Zeeland naar Parijs haar moderne huis met tuin zagen liggen. Aleid Truijens probeert in haar onlangs verschenen biografie Leven in de verbeelding Hella S. Haasse tot ‘de grootste schrijfster uit ons taalgebied’ uit te roepen. Ze haalt uit naar Hans Warren die lang niet altijd positief oordeelde over de boeken van Haasse. Maar in zijn dagboek noemt hij haar ‘een schat’. Hij herhaalt niet zo gesteld te zijn op haar werk, ‘daarin is zij een veel te nette en te welwillende mevrouw. Maar nu bleek hoe aardig zij is, en over hoeveel kennis zij beschikt’. Op 24 september 1986 had men in Vlissingen een middag gewijd aan de daar geboren Betje Wolff, volgens mij een veel geschiktere kandidaat voor de titel ‘grootste schrijfster uit ons taalgebied’. De PZC berichtte over de bijeenkomst, met een foto erbij. Er waren toespraken geweest van onder anderen Hella Haasse en Hans Warren. We besloten haar uit te nodigen voor een etentje. Een paar jaar na Hans’ dood sprak Hella mij aan, ze herinnerde zich alle details van het Zeeuwse huis en alle gangen van de Zeeuwse maaltijd, vanaf de gebakken ganzenlever in portsaus tot en met de sabayon van rood fruit. Een van de weinig tastbare herinneringen aan het contact is de nieuwjaarskaart, die het verdient van alle kanten te worden bekeken. Juist in 1990 zou Hella Haasse ereburger worden van Saint-Witz, des te treuriger is dat ‘aucun résultat’.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 114 ~ Aspergetang

Wat is het wreedste aan de dood? Dat er geen respijt is. Dat elke mogelijkheid is afgesneden om te informeren: hoe zat het ook alweer? Alle dagen komt er wel een alledaagse vraag bij me op. Even, heel even, tot het besef daagt dat er nooit meer een antwoord van Hans komt. Hij kan in zekere zin verbazend veel terugzeggen, hij liet tenslotte duizenden bladzijden dagboek na. Maar daarin zit geen register voor laten we zeggen aspergetang, oliebollenschaal, zilveren messen. De aspergetang, Hans en ik hanteerden hem ieder jaar in het seizoen van de geliefde groente. Het apparaat is in mijn huidige huis nog altijd in functie. Maar is het al dan niet de tang waarvan sprake is in het dagboek van mei 1968, volop aspergetijd, het door A. Bonebakker in 1912 vervaardigde exemplaar? De oliebollenschaal, dat was de huiselijke naam voor de kristallen bokaal met zilveren handvat. Ook nog niet met pensioen, ik haal hem elk jaar na kerst uit de kast om het geliefde oudejaarsbanket in te leggen. Was de schaal al in gebruik aan de Zeedijk in Borssele? En wat is het verhaal van de messen, zwaar zilver. Zeggen de zilvermerken iets? Ze zijn vervaagd, de taal ervan versta ik slecht, maar is dat onder het vergrootglas een ‘k’, de jaarletter van 1920? Aan het Pijkeswegje gebruikten we de messen vaak, ze zijn nu opgeborgen in een la, vooral uit poetsvrees. Zo word ik omringd door talloze dingen die me nog met Hans Warren verbinden. Maar de dood heeft het laatste woord. Of eigenlijk, en dat is het gemeenste, geen enkel, echt geen enkel woord.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 113 ~ Jef Last

Bestaat er een raarder leven dan het mijne? heet de biografie die Rudi Wester aan Jef Last (1898-1972) wijdde. Al in 1986 had ze subsidie gekregen voor het in 2021 verschenen boek, toch kun je de indruk krijgen dat sprake is van haastwerk. Zo had de biografe geen gelegenheid naar de betrekkingen tussen Jef Last en Hans Warren te kijken. Zoals zo vaak begonnen die met een bespreking, de bespreking in de PZC van 10 augustus 1957 over Lasts Een lotje uit de loterij. Op 25 augustus dankte hij de ‘Hooggeachte Heer Warren’ hartelijk ‘voor Uw zo uitmuntende kritiek’. Nieuwe recensies lokten nieuwe brieven uit, heel interessante, die Lasts rare leven meer reliëf geven. In de krant van 10 september 1966 bespreekt Hans Warren zijn Mijn vriend André Gide. Een onderwerp dat de recensent raakt, vandaar dat hij hier en daar uithaalt naar Jef Last. Maar aan het slot zegt hij dat men ‘dit eigenaardige, nu eens grandioze, dan weer pijnlijke, ongelijke boek’ móet lezen, ‘men treft er twee mensen in: Gide en Last, en men ziet er een stuk Westeuropese geschiedenis, van binnenuit verlicht’. Jef Last reageert tevreden in een lange brief van 20 oktober 1960: ‘Ik kan natuurlijk nooit weten in hoeverre ik voor Gide een Last aan het been geweest ben’. De contacten bleven niet beperkt tot papier. ‘Vanmiddag was Jef Last hier,’ noteert Hans Warren op 25 januari 1959 in zijn dagboek. Al de dag erna stuurt Last een brief waarin hij ingaat op de poëzie van de ander, vooral op het gedicht ‘Saïd’. Daarin zit volgens hem weliswaar een ‘bijzonder mooie regel’, maar dit juweeltje is wat hem betreft ‘gevat in een ring van klatergoud’. Volgens hem ‘schaadt dit soort moderne rimram aan dat wat ik de grootste bekoring vind van uw werk, zijn eenvoud en de inderdaad vaak japanse eenvoud van scherp geziene, duidelijk met een enkele streek neergezette beelden’. Op 29 januari schrijft Hans Warren terug om zijn ‘Saïd’ te verdedigen. Hij stuurt de bundel Vijf in je oog mee. ‘En nu liggen daar naast elkaar je bundel en je brief, en helaas, de eerste overtuigt me, de tweede doet dat niet,’ reageert Last op 3 februari. Jef Last en Hans Warren hadden vrienden kunnen worden, maar hun levens, raar of niet, raakten net niet verstrengeld. Maar er was iets, in ieder geval het idee dat Jef Last in de brief van 25 augustus 1957 aan de orde stelde. Hij verwijst naar een al dan niet uit zijn duim gezogen Japans gezegde: ‘Wanneer er in iedere stad slechts éen mens U begrepen heeft, achten wij deze reis van grote waarde. Ik heb echt wel het gevoel dat U die ene mens geweest bent.’

MARIO MOLEGRAAF